Didactische aanpak

Activiteiten in de instapklas en de eerste kleuterklas.

De kinderen beginnen 's morgens in de kring. Er wordt gewerkt naar een groepsrooster en doorgaans rondom een project. Jonge kinderen leren veel door spelen. Dit gebeurt dan ook in de kleutergroepen. De leerkracht houdt goed in de gaten hoe dat proces verloopt. Er is een duidelijke structuur, er wordt geobserveerd en geregistreerd via ons schooleigen kindvolgsysteem
Elke dag wordt er aandacht besteed aan het werken met ontwikkelingsmateriaal. Dit gebeurt in groepjes. In één week worden bepaalde ontwikkelingsgebieden geoefend. De beeldende vorming krijgt veel aandacht. Wekelijks worden er verschillende technieken aangeboden. Er wordt veel aandacht geschonken aan de taal / denkontwikkeling van de kleuters d.m.v. het aanbieden van prentenboeken, het houden van kring- en leergesprekjes, poëzie, spel met handpoppen en drama. Er zijn verschillende hoeken in de kleuterlokalen, die bijdragen tot een bredere ontwikkeling van de kleuters.

Activiteiten in de tweede en de derde kleuterklas.

Hier komt voornamelijk de voorbereiding op de basisvoorwaarden ( lezen, schrijven en rekenen) aan bod.
Bewegingsactiviteiten nemen een belangrijke plaats in. Bij droog weer spelen de kinderen geregeld buiten. Binnen de groep wordt er regelmatig aan expressie gedaan. Muzische vorming neemt een centrale plaats in.
Al heel snel krijgen kinderen activiteiten en materialen aangeboden die voorbereidend werken op de basisvaardigheden voor expressie, motoriek, lezen, rekenen en schrijven. Taalactiviteiten in de kring, eenvoudige tel-spelen, leren sorteren, rubriceren zijn hiervan enkele voorbeelden. Ook in de hoeken worden deze ontwikkelingsgebieden gestimuleerd. Voor kinderen in de 2 de en 3 de kleuterklas zijn er voldoende mogelijkheden om zich vormen, letters en cijfers eigen te maken en zelfs tot ontluikend lezen en initieel rekenen te komen. Als ruggegraat gebruiken wij hiervoor de “Schatkist” van uitgeverij Zwijsen.

Activiteiten in de lagere school.

Taal

- Het onderwijs in de Nederlandse Taal is veelomvattend.
In het eerste leerjaar wordt gestart met lezen als vak. Wij gebruiken daarbij “Veilig leren lezen” (de Maan – Roos – Vismethode), een methode die ontwikkeld is door uitgeverij Zwijsen en die bekend staat als de meest de succesvolle op de markt.

Deandere klassen van de legere school werken met "Tijd voor Taal".

Behalve aan technisch lezen, wordt er ook nog aandacht besteed aan expressief lezen, begrijpend lezen en studerend lezen.

Onze school is van mening dat taalonderwijs erop gericht moet zijn kinderen te brengen tot een individueel taalgebruik waarbij ze bewust de taalvorm kiezen en hanteren die op een bepaald ogenblik overeen komt met de eisen vaan de concrete situatie. Het accent komt daarbij te liggen op de communicatieve functie van de taal zonder de structurele aspecten die betrekking hebben op de vorm van de taal uit het oog te verliezen.

Om deze doelstelling te bereiken zijn wij onlangs overgeschakeld op een nieuwe taalmethode die goedgekeurd is door het Departement en die meer dan voldoet aan de opgelegde ontwikkelingsdoelen en eindtermen.

De algemene doelstellingen zijn:

•  De leerling is in staat om op zijn niveau te luisteren, te spreken, te lezen en te schrijven.

De mondelinge taalvaardigheden, luisteren en spreken, worden thuis en in de kleuterafdeling geleerd en verder ontwikkeld in de lagere afdeling. De schriftelijke vaardigheden, lezen en schrijven, worden meestal geleerd in de lagere afdeling. In deze doelstelling gaat het voornamelijk om de technische aspecten van de taalvaardigheid: bijvoorbeeld bij lezen en schrijven om het verklanken en verletteren.

•  De leerling is bereid en in staat om op zijn niveau met taal deel te nemen aan relevante communicatieve situaties in en buiten de school. Hij kan zijn taalgedrag aanpassen aan deze situaties.

In deze doelstelling gaat het om vooral functionele aspecten van het gepast taalgedrag. De communicatieve situatie bestaat uit een teksttype. De leerling onderkent in welke concrete situatie hij kiest voor een bepaald teksttype en kan zijn talig handelen sturen volgens de eisen van de taalgebruiksituatie.

•  De leerling wil en kan op zijn niveau zijn persoonlijke leef- en belevingswereld ‘vertalen' en kan de leef- en belevingswereld van anderen begrijpen indien deze in taal is weergegeven.

Schoolse kennis blijft dikwijls louter verbaal. Met deze doelstelling proberen we de kinderen aan te sporen hun ervaringen in taal weer te geven, te ordenen en er met elkaar over te communiceren.

•  De leerling kan op zijn niveau bewust en kritisch nadenken over het taalgedrag van zichzelf en van anderen.

Met deze doelstelling wordt het belang van de taalbeschouwing in brede zin beklemtoond. Via taalgebruik en taalbeschouwing komen kinderen geleidelijk tot gepast taalgebruik.

•  De leerling wil en kan binnen de grenzen van het taalsysteem zijn mogelijkheden tot persoonlijk taalgebruik op zijn niveau tonen en de anderen in hun persoonlijk taalgebruik waarderen. De leerling heeft een onbevooroordeelde houding tegenover taalverscheidenheid en taalvariatie.

Door taal kunnen we onze mogelijkheden als individu verkennen en ontwikkelen. Door en in taal bouwen we onze eigen wereld op.

We kunnen van het algemene communicatiemiddel zelfstandig en op een eigen wijze gebruikmaken. We willen kinderen hun zelfvertrouwen in het eigen taalgebruik stimuleren. Dit geldt eveneens voor kinderen die van huis uit niet de schooltaal spreken of ook nog een andere thuistaal hebben. We willen eveneens kinderen respect bijbrengen voor het taalgebruik van anderen.

•  De leerling beleeft plezier aan de omgang met taal en in talige expressie.

Deze doelstelling hangt samen met de vorige. In taal kunnen we creatief denken en handelen. Zelfs de allerjongste kinderen kunnen al genieten van het taalgebruik van zichzelf en van anderen. We willen de kinderen dit plezier laten behouden en verder stimuleren.

•  De leerling is op zijn niveau alert op de mogelijkheid dat anderen hem willen manipuleren door hun taalgebruik en door de manier waarop ze de zaak voorstellen. De leerling weet dat hij de anderen kan manipuleren en is bereid zijn taalgebruik in deze omstandigheden kritisch te benaderen.

Deze doelstelling sluit aan bij de derde en vierde doelstelling en heeft te maken met eindtermen in verband met weerbaarheid en verdediging, vermeld in het vakoverschrijdende leergebied ‘sociale vaardigheden'. Het gaat hier om het herkennen van al dan niet gewilde verdraaiingen van de werkelijkheid in het alledaagse taalgebruik van mensen, de media, de reclame. De vaak subjectief gekleurde informatie wordt dikwijls in een schijnbaar objectief kleedje gestoken. Belangen kunnen verborgen worden of als algemene vanzelfsprekendheden worden aangeboden. Ook mensen kunnen (soms met gegronde redenen) in hun onderlinge communicatie hun belangen verbergen. Tegenover het eigen taalgebruik is dan ook een kritische opstelling nodig. Deze doelstelling heeft vooral te maken met het zelfbepalend en sociaal handelen.

•  De leerling kan op zijn niveau humaan en inhumaan taalgedrag onderscheiden en is bereid zijn eigen taalgedrag vanuit deze gezichtshoek kritisch te onderzoeken.

Taal verraadt dikwijls hoe de mensen met elkaar omgaan. De taal van een dictator is heel anders dan de taal van een persoon die zich open opstelt. Taal biedt ons de mogelijkheden om liefde, genegenheid, troost en solidariteit uit te drukken. In taal kunnen mensen kwetsen, discrimineren en pijn doen. Taalgebruik is altijd en overal gebonden aan normen en waarden, aan goed en kwaad. Tot op zekere hoogte kunnen we de leerlingen het inzicht bijbrengen in deze functie van de taal. Taalopvoeding dient in onze visie een bijdrage te leveren tot humaan sociaal gedrag. Deze doelstelling komt in grote mate overeen met doelstellingen vermeld bij wereldoriëntatie in de domeinen ‘mens' en ‘maatschappij' en in de vakoverschrijdende eindtermen ‘sociale vaardigheden'.

Zo proberen wij door een actieve taalopvoeding een bijdrage te leveren tot de totale harmonische persoonlijkheidsontwikkeling van ieder kind.

Wij streven er naar om onderstaand model, geïntroduceerd door OVSG, Zo goed mogelijk in de praktijk om te zetten. 

Rekenen

- Onze school gebruikt de methode “REKENSPRONG+”. De methode besteedt veel aandacht aan zaken als meten, wegen, schatten, cijferen en handig rekenen.
Met elkaar praten over hoe je een rekenkundig probleem oplost is belangrijk. Bij elke wiskundige activiteit op school zullen we rekening moeten houden met de beginsituatie van de leerlingen. Daarbij houden we ook voor ogen dat die beginsituatie binnen de groep kinderen met wiskundige activiteiten die voordien met de leerlingen gebeurd zijn (volgens het leerplan, het schoolwerkplan of het handboek). Bovendien zijn we er ons sterk van bewust dat ook heel wat wiskunde geleerd wordt buiten de wiskundeactiviteiten of lessen. Daarom toetsen wij de kinderen in functie van de vereiste kennis en vaardigheden voor een degelijke opstap naar het eerste leerjaar.

Continuïteit in het leren van kinderen zal dan berusten op een weloverwogen volgorde in de doelen die binnen een leerlijn van het leerplan voorgesteld worden. Dit wordt gegarandeerd door heet doorheen de ganse lagere school volgen van “REKENSPRONG+”, een rekenmethode die goedgekeurd is door het Departement en die meer dan voldoet aan de vooropgestelde eindtermen. Deze methode vormt de ruggengraat van ons wiskundeonderwijs.

De voortdurende bijsturing t.a.v. de beginsituatie van de leerlingen waarmee je als leraar werkt wordt gegarandeerd door de uitbreidingsleerstof binnen deze methode en de actieve participatie van de begeleiders van ons leerlingvolgsysteem aan het individuele wiskundeonderwijs in elke klas van de basisschool.

Wiskunde is een leergebied dat we bij uitstek als cognitief kunnen omschrijven.

Cognitie verwijst in de eerste plaats naar denkprocessen en de resultaten daarvan. We zijn er ons wel van bewust dat we dat denken onmogelijk kunnen stimuleren door (zeer resultaatgericht) kinderen een reeks voor hen zeer ondoorzichtige procedures aan te leren. Wiskunde mag niet gereduceerd worden tot kennis van de passende trucjes om tot een gewenste uitkomst te komen. Toch streven wij er naar om een aantal formules van oppervlakte- en inhoudsberekening en een aantal meer ingewikkelde meetkundige constructies als uitbreidingsleerstof aan te bieden.

Selectie en volgordebepaling van leerdoelen, aansluitend bij de mogelijkheden van leerlingen, gebeurt door het proberen te volgen van de rekenmethode. Dit betekent dat we ze aanpassen aan de concrete situatie van onze school en leerlingengroep zonder de totaliteit van het eindtermenpakket uit het oog te verliezen. Ook t.a.v. de keuze van uitbreidingsdoelen verwachten we dat je als leraar slechts aan die uitbreidingsdoelen werkt, die minstens bevattelijk zijn voor dat deel van je groep aan wie je ze aanbiedt.

Hoewel wiskunde dus inde eerste plaats een cognitief leergebied is, zou het toch een veronachtzaming zijn van de noden van de kinderen als enkel doelstellingen van cognitieve aard worden geformuleerd. Die kinderen zitten immers met hun totale persoonlijkheid en niet enkel met hun hoofd in onze klas. Heel wat wiskundeactiviteiten bevatten trouwers ook affectieve, sociale, muzische en fysisch-motorische aspecten.

Sommige daarvan zijn in andere leergebieden als expliciete doelstelling geformuleerd. Waar mogelijk zullen we naar deze vakoverschrijdende doelen verwijzen. Wij proberen ook aandacht te besteden aan de ontwikkeling van zelfvertrouwen en een positieve houding t.a.v. wiskunde. Zelfs het plezier vinden in wiskundeactiviteiten wordt beschouwd als een belangrijk affectief doel. Leren samenwerken, overleggen en argumenteren over wiskundeproblemen beantwoordt niet alleen aan een nood van de kinderen maar ook aan een maatschappelijke behoefte.

Wereldoriëntatie

– Alle vakgebieden zoals beschreven in de leerplannen komen uitgebreid aan bod: natuur , tijd, ruimte, techniek, verkeer en mobiliteit, milieu, …

Bij wereldoriënterend onderwijs staat het vragende kind centraal. Het stellen van een vraag, het bevragen van de omgeving, van de school,... wijst duidelijk op belangstelling, op interesse. Het houdt voor kinderen meestal het willen zoeken naar en het vinden van een antwoord in.De school speelt hierin een actieve rol: door het inrichten van een rijk leermilieu worden vragen uitgelokt. Tijd en ruimte creëren voor een vraag- en antwoordspel met de wereld is essentieel.Wanneer de leerkrachten het vragende kind als centrum van hun onderwijs beschouwen, zal veel aandacht gaan naar het stimuleren en begeleiden van de exploratie. En dit is het fundament voor het ontwikkelen van een open kijk op de wereld en leidt tot bewondering en verwondering.

Deze benadering vraagt een groot sturend vermogen van de leerkracht. Het is immers de bedoeling het W.O.-aanbod zoveel mogelijk thematisch aan te bieden terwijl de kinderen de indruk hebben dat de leerstofopbouw vertrekt vanuit hun interesse en bevraging en dit is niet altijd evident.

Daarom streven wij er naar om onderstaande doelstellingen na te streven:

•  Het ontwikkelen van basiscompetenties bij jonge kinderen die hen in staat stellen om zichzelf en hun omgeving steeds verder en steeds diepgaander te exploreren en er zin en betekenis aan te geven.

•  Het ontwikkelen van interesse voor het leven van mensen, nu en in het verleden, hier en elders in de wereld.

•  Het ontwikkelen van een basishouding van openheid en respect ten aanzien van de wereld van mensen, dieren en dingen.

•  Het ontwikkelen van de bereidheid om, op basis van nieuwe invalshoeken, aangereikt door anderen, de eigen waarden en normen kritisch te bekijken om vanuit een persoonlijke keuze actief invloed uit te oefenen op de wereld rondom.

•  Het ontwikkelen van het bewustzijn van de invloed die de samenleving op het leven van de kinderen uitoefent.

•  Het ontwikkelen van het bewustzijn dat de kinderen zelf, als individu en in groep, invloed kunnen uitoefenen op de omgeving waarin zij met anderen samenleven.

•  Het ontwikkelen van basisvaardigheden om zelfstandig met informatie om te gaan.

Wij proberen geleidelijk aan van ons fragmentarisch aanbod over te schakelen op thematisch aanbod en gebruiken daarvoor onze eigen ontwikkelde methode.

Bewegingsonderwijs

– Alle kleuters hebben 2x per week bewegingsopvoeding in onze eigen sportzaal. De 3 de kleuterklas gaat wekelijks zwemmen.
De kinderen van de lagere school hebben 1x gymnastiek in de sportzaal en 1x schoolzwemmen in “Het Begijntjesbad”. Ook zwemmen is voor de kinderen van onze school gratis.

De bewegingsontwikkeling doorheen onze lagere school is multifunctioneel:

-door het aanbieden van maximaal gevarieerde uitdagingen en de in complexiteit toenemende situaties willen we de natuurlijke bewegingsdrang van elk kind stimuleren en actief helpen ontwikkelen.

-het voorbereiden van elk kind op de actieve deelname aan het maatschappelijk cultureel leven.

Concreet beogen de lessen bewegingsopvoeding op onze lagere school:

-fysieke doelstellingen : kwantitatieve, mechanische, morfologische, basis-motorische eigenschappen die bijdragen tot de ideale bouw en functie van het lichaam op een optimale houding en conditie te bereiken.

-psycho-motorische doelstellingen : kwalitatieve vaardigheden, technieken die via optimale lichaamsbeheersing leiden tot gedragsbeheersing.

-dynamisch-affectieve doelstellingen : gemoedsinstellingen ten opzichte van zichzelf die leiden tot een optimale relatie en houding ten opzichte van de andere(n).

-cognitieve doelstellingen : bewuste kennis van factoren die betrekking hebben tot de beweging op basis van het bewust kennen van zijn eigen lichaam om te komen tot de kennis van zijn eigen lichaam in beweging.

-creatieve en expressieve doelstellingen : door bewegingsvormen en bewegingscombinaties zichzelf kunnen uitdrukken.

Met de bewegingsopvoeding beogen wij dus niet enkel de ontwikkeling van de fysieke en psycho-motorische ontwikkeling van elk kind maar tevens de algemene fitheid, de gezondheid, het zelfconcept en het optimaal sociaal functioneren van elke volwassene in spe.

Frans

Het schoolbestuur vergoed de klastitularissen van de 2 de en de 3 de graad om wekelijks 4 x 25 minuten extra Frans onderwijs aan te bieden aan de kinderen van de 2 de en de 3 de graad. Alle leerlingen van de 2 de en de 3 de graad maken zonder uitzondering gebruik van dit aanbod.

In het 3 de en het 4 de leerjaar wordt gebruik gemaakt van een eigen leermethode om de kinderen voor te bereiden op het officiële onderwijs Frans vanaf het 5 de leerjaar. De voornaamste bedoeling hiervan is de taaldrempel bij de kinderen weg te nemen en basiswoordenschat aan te bieden, hen ‘zin te geven in taal'. In de 3de graad gebruiken wij de methode “Bonjour les enfants”.

Vermits het aanleren van een taal best geïntegreerd gebeurt, gebruiken wij dit meeraanbod van Franse lessen in de 3 de graad om de leerstof die aangeboden wordt via ‘Bonjour les enfants' verder uit te diepen en meer te spreiden in de tijd. Dit zou er moeten toe leiden dat onze kinderen voldoen aan het niveau van Frans dat van hen verwacht wordt in het secundair onderwijs. Ouders die het schoolreglement ondertekenen, verklaren zich akkoord met deze aanpak.

Onze doelstelling is dat kinderen vaardigheden moeten ontwikkelen waarmee ze Frans op een beperkt niveau kunnen gebruiken als communicatiemiddel.

Hiervoor moeten zij de nodige zinsstructuren en basiswoordenschat reproducerend beheersen om eenvoudige informatie te kunnen verwerven via geschreven en gesproken taal en om eenvoudige informatie te kunnen geven en vragen in mondeling contact met Franssprekenden.

Kinderen moeten ook bereid zijn tot communicatie en voldoende zelfvertrouwen opbouwen om te durven communiceren met behulp van beperkte taalmiddelen.

I.C.T.-onderwijs

Al vele jaren staan er computers in onze school. De afgelopen jaren en de komende jaren wordt er structureel veel geld beschikbaar gesteld door het ministerie om het computeronderwijs te verbeteren en te vernieuwen. Het afgelopen schooljaar hebben we een start gemaakt met onze nieuwe computerklas.
Niet alleen het meubilair en de computers worden vernieuwd, ook de software wordt aangevuld en uitgebreid en waar nodig vernieuwd. Op dit ogenblik hebben we heel wat software als ondersteuning voor alle aangeboden vakken. Het internet als 'onderwijsmedium' is in alle klassen van de lagere school geïmplementeerd. Natuurlijk gebeurt dit wel onder strikte voorwaarden, zodat niet allerlei ongewenste sites kunnen worden bezocht.
Koen Vlaeyen is onze deskundige op het gebied van I.C.T. en ondersteunt de vernieuwing.

Muzische vorming

–Alle onderdelen van dit vakgebied nemen op onze school een belangrijke plaats in. Alle vakgebieden die in de leerplannen beschreven staan komen regelmatig aan bod.

Rooms-Katholieke vorming

- Als methode voor het vakgebied godsdienst/ maken we op onze school gebruik van de methodes “Tuin van heden” en “TOV”.
De methode geeft voor iedere dag een gedicht, spel, lied, verhaal of bijbeltekst als dagopening. We besteden 2 maal per week 50 minuten aan godsdienstige vorming.
Gedurende enkele lesmomenten vormen al de behandelde onderwerpen samen een thema. In de handleiding vindt de leerkracht voldoende aanwijzingen om door te gaan op de actualiteit. Deze uitwerking is verschillend voor onderbouw, middenbouw en bovenbouw.
In een doorgaande lijn komen op die manier elk schooljaar een aantal thema's aan bod.
Deze thema's sluiten aan bij de belevings- en ervaringswereld van de kinderen. (bijvoorbeeld: “ Wie ben ik”), bij actuele ontwikkelingen en vraagstukken in de samenleving (bijvoorbeeld: “Geweld”) en zijn steeds gebaseerd op een samenhangend aanbod met bijbelverhalen (bijvoorbeeld: “Abraham, Mozes, Jezus”)

Zedenleeer

- In de cursus niet-confessionele zedenleer leren kinderen …
•  over zichzelf en over wat andere kinderen denken en doen
•  waarom ze iets wel of juist niet doen
•  hoe ze op een fijne en verdraagzame manier met elkaar omgaan

Hoe bereiken we dit ?
•  door vrij onderzoek
•  op een a-dogmatische manier
•  door het geluk van de mens centraal te stellen

Welke didactische werkvormen bieden we aan?
•  door middel van concrete situaties of verhalen die aansluiten bij de leefwereld van het kind komen de kinderen meer te weten over zichzelf, over andere leefgewoonten en culturen, over wereldproblemen …
•  via gespreksvormen leren kinderen dat niet iedereen over alles dezelfde mening heeft
•  met behulp van allerlei spelvormen (rollenspel, mimespel, poppenspel, stellingenspel, …) drukken kinderen zich zowel verbaal als non-verbaal uit